| | Willem
Arntsz Hoeve, Den Dolder In 1907,
toen het eerste gebouw van de inrichting werd opgeleverd, was Den Dolder niet
meer dan een naamloze halteplaats van de spoorwegen. De plaats dankt haar bestaan
aan de inrichting, die in korte tijd een respectabele omvang bereikte. Tekenend
is dat het eerste gebouw een boerderij betrof. In opdracht van het Utrechtse moederhuis
bouwden de architecten G. van Heerde en H. Masselink in 1906 een boerderij die
bestond uit een stal voor dertig koeien, en een voorhuis in neorenaissancestijl
bestemd voor zes patiënten en twee verplegers. De hoeve was vooral bedoeld
voor verpleging in een gezinachtige situatie voor patiënten van het platteland.
In een tweede bouwfase, tussen 1909 en 1912, kwam de kern van het complex tot
stand. Architect was F.W.M. Poggenbeek, die eerder al gestichten bouwde in Castricum
(Duin en Bosch) en Apeldoorn (Het Apeldoornsche Bos). De gebouwen van Poggenbeek
die tussen 1911 en 1912 tot stand kwamen zijn opgetrokken in de destijds populaire
chaletstijl, die vooral bij villas veel werd toegepast. De gevels van de
gebouwen zijn wit gepleisterd en gedecoreerd met bakstenen ontlastingsbogen boven
ramen en deuren en horizontale banden aan de onder- en bovenkant van de vensters.
Het buitengesticht bestond toen uit een 207 hectare groot, door bossen omzoomd
complex. Op een centrale as lagen in het verlengde van elkaar een directiegebouw,
een bedrijfsgebouw met de centrale keuken en woonruimten voor het personeel. Tussen
deze gebouwen situeerde de architect de gehoorzaal, die als ontspanningsruimte
diende voor de patiënten en waarin zang- en toneeluitvoeringen werden gegeven.
Aan weerszijden van de centrale middenas werden in losse symmetrie tien ruim opgezette
paviljoens gebouwd. | 
De
paviljoens aan de ene zijde waren bestemd voor mannen, die aan de andere zijde
voor vrouwen. Er was een onderscheid in eerste, tweede en derde klasse. Paviljoens
voor de eerste klasse lagen het dichtst bij het directiegebouw, de paviljoens
voor de derde klasse het verst daarvandaan. In een derde bouwfase (tussen 1915
en 1923) werd het complex uitgebreid met twee kleine paviljoens (Antonia en Wilhelmina)
van H.J. Kolk en veertien woningen voor het personeel van G. van Heerde. De beide
paviljoens waren elk voor negen patiënten van wie het herstel zover gevorderd
was dat een grotere mate van zelfstandigheid mogelijk was. In de periode tussen
1928 en 1940 werd de Willem Arntsz Hoeve opnieuw flink uitgebreid. Ditmaal door
H.F. Mertens. Er verrezen vier ruim opgezette paviljoens: Winkler en Lorentz voor
respectievelijk 136 onrustige vrouwen en 78 onrustige mannen, Van t Hoff
en Eykman voor respectievelijk 82 bedlegerige mannen en 54 bedlegerige vrouwen.
Karakteristiek voor deze paviljoens is de uitvoering in roodbruine baksteen, de
overstekende daken en de hoge doorlopende vensterstroken. |