oud Nederlandse binnensteden

Historische binnensteden in Nederland 1940-2010
bouwstenen voor een cité imaginaire, inspiratie voor het ontwerprepertoire van de toekomst 

Historische binnensteden veranderen en dat doen ze al zolang ze bestaan. Nieuwe vormen van bedrijvigheid, sociale verschuivingen, leeftijdsopbouw van de bevolking, de voorzieningen, architectonische en stedenbouwkundige inzichten om die te accommoderen en te representeren – alles is in beweging, soms snel, soms langzaam, soms treedt verval in, soms neemt het besef de overhand dat sommige stadsdelen maar beter kunnen verdwijnen.

 

Tot het begin van de negentiende eeuw hadden deze processen plaats binnen de grenzen van wat we nu als historische binnensteden zien, daarna speelde de positie van dit stadsdeel ten opzichte van de wijken eromheen een prominente rol. Met name in de periode na 1960 werd de noodzaak naar voren geschoven waarde en functie van binnensteden te relateren aan die van hun regionale context. Daarmee kwamen ze, gestimuleerd door de stormachtige opkomst van het particuliere autobezit, in een steeds inniger relatie staan. Wat was, en is de rol van de historische binnenstad in het netwerk aan relaties dat sindsdien steeds intensiever werd, en wat was en is het effect daarvan op de ervaring van cq. de omgang met die binnenstad als cultuurhistorisch reservoir?

We kunnen stellen dat nadat de historische binnensteden tijdens de Wederopbouw hooguit als een steeds groter obstakel voor radicale modernisering en cityvorming werden beschouwd, ze vanaf de late jaren zeventig geleidelijk zijn herontdekt en heroverd. Dat gebeurde via het (theoretisch-maatschappelijke) vertoog (Jacobs 1961, Rossi 1966, Mitscherlich 1967, Nederlandse Forumbeweging, meer algemeen ook de output van maatschappij- en gedragswetenschappen,

en het effect van de Monumentenwet 1961) en via het beleid en de opgaven die daar eventueel uit voort kwamen (vlg. Doelstellingennota Binnenstad Groningen 1972). Dat dubbele proces kenmerkt zich daarom door een complexe wisselwerking tussen (politieke en culturele) prioriteiten, motivaties, en een voortdurende accentverschuiving tussen diverse aspecten van het beleid (infrastructuur, openbaarheid, leefbaarheid, historiciteit) en de betekenissen en programma’s die op de historische binnensteden zijn geprojecteerd. Effecten van veranderende inzichten en bijstellingen van beleid zijn tot op de dag van vandaag niet alleen herkenbaar in de ‘architectuur van de stad’, maar fungeren ook nog steeds als erfenissen waarvan men veronderstelt dat die ‘gecorrigeerd’ of ‘gerepareerd’ moeten worden.

We constateren dat, ruim dertig jaar na voornoemde ‘kanteling’, de historische binnensteden binnen de ruimtelijke inrichting van Nederland richtinggevender zijn dan ooit. De regionale context speelt daarin nog steeds een belangrijke rol, en tegelijkertijd de vraag naar de mate waarin die historische binnensteden als begrensde, fysieke entiteiten in staat zijn de gewenste programma’s, beelden, ervaringen en mogelijke visualisering van een zekere historische gelaagdheid op te nemen. Momenteel is er dan ook een tendens de fysieke grenzen van de binnensteden kunstmatig op te rekken en de kwaliteiten ervan, in de meest brede zin, in aangrenzende gebieden zichtbaar en ervaarbaar te maken. Gebruik en misbruik van geschiedenis en identiteit vormen binnen die exercities interessante thema’s van onderzoek. Vast staat dat niet alleen het beleid, maar ook een fors deel van de hedendaagse ontwerpopgave direct of indirect door die sleutelpositie van de binnensteden worden bepaald. De cultuurhistorische dimensie ervan speelt in het geheel aan visies, beleidsintenties en ontwerpstrategieën een onmiskenbare rol.

De toegenomen aandacht voor de historische binnensteden veronderstelt kennis van zowel de processen die hun huidige verschijningsvorm/beeld verklaren als van de architectonische en stedenbouwkundige artefacten zelf; idealiter culmineert deze kennis in een beleidondersteunend repertorium. Voor een operatieve, vanuit fundamenteel onderzoek opgebouwde, praktijkgerichte architectuurgeschiedenis ligt hier een belangrijke maar tot op heden niet vervulde missie. Hoewel de afgelopen jaren tal van monografische en thematische studies het licht zagen ontbreekt een brede en vergelijkende analyse van het debat en ontwerp sinds de Tweede Wereldoorlog.

Dit onderzoek richt zich op de analyse van voornoemde, vaak zeer uiteenlopende inzichten – ze vormen, om met Fortier te spreken, een cité imaginaire, een ideeënboek. Daarin staat de vraag centraal naar de receptie en perceptie van die binnenstad als een nadrukkelijk in de geschiedenis verankerde dimensie, en naar de mate waarin dat doorwerkt in de opgaven, het beeld en de ervaring die erop geprojecteerd werden en worden.